De Ramp

De Ramp in woorden

Na de fatale Watersnoodramp van 1 februari 1953 is uitgebreid onderzoek verricht naar de oorzaak ervan. Een belangrijke oorzaak moet worden gezocht in de meteorologische omstandigheden.

In de dagen voorafgaand aan de Ramp was een krachtige luchtcirculatie boven de Atlantische Oceaan waarneembaar. Voor de tijd van het jaar was dit echter niet zo uitzonderlijk. Daarnaast lieten de weerkaarten de gebruikelijke storingen zien. In de middag van donderdag 29 januari 1953 lag een depressie (lagedrukgebied) nabij IJsland, die zich in oostelijke richting voortbewoog. Tegelijkertijd ontstond boven het westelijke deel van de Atlantische Oceaan een hogedrukgebied dat zich door de samenvoeging met een hogedrukgebied boven Groenland tot een zeer hogedrukgebied ontwikkelde. Dit gebied dat voortdurend in kracht toenam, verplaatste zich in de richting van het Europese vasteland. Wanneer twee tegengestelde systemen (een hoge- én een lagedrukgebied) elkaar te dicht naderen, gaat de wind in het overgangsgebied enorm tekeer. Doordat de luchtstroming in de hogere luchtlagen veranderde van west naar noordwest, wijzigde ook de koers van de depressie van oostelijke in zuidoostelijke richting, met als gevolg dat de noordwesterstorm in korte tijd steeds groter en sterker werd. In de nacht van donderdag 29 op vrijdag 30 januari 1953 trok de storm over Schotland en Engeland met een kracht van 10 of 11 op de schaal van Beaufort. Op zaterdagmiddag en -avond 31 januari 1953 berichtten lichtschepen op de Noordzee een volle orkaan ofwel windkracht 12. Hoewel vaker een orkaan over Nederland had geraasd, had de storm van januari/februari 1953 een aantal bijzondere kenmerken. Ten eerste de duur van de orkaan; deze ging zo’n 23 uur onafgebroken door. De wind, noordwest, stond haaks op de Nederlandse kust, en over de volle duizend kilometer Noordzeekust werden vele windsnelheden met orkaankracht gemeten. Dit zorgde voor een enorme opstuwing van het zeewater. Deze combinatie van de richting en de kracht van de storm met de lengte ervan en het springtij, veroorzaakten een dusdanige hoge watermassa, waartegen de dijken in 1953 niet waren bestand.

De dijken
Een andere oorzaak is gelegen in de toestand van de dijken. Evenals in vele andere plaatsen was de toestand van de buitendijken in het noordwestelijk deel van Noord-Brabant matig, en die van de binnendijken soms ronduit slecht. In en om het dorp Moerdijk waren vele binnendijken erg laag; vele hadden nog de oorspronkelijke hoogte uit de 17e eeuw. De uitgebreide onderwaterzettingen van de polders rondom Heijningen in de Tweede Wereldoorlog, hadden deze ernstig verzwakt. Op de plaats in de Slobbegorsedijk waar de dijk op 1 februari 1953 brak, werd de dijk in 1944 door de Duitse bezetter doorgestoken. Ook de buitendijk tussen Willemstad en Klundert bleef, ondanks de plaatsing van een zogenaamde “muraltmuur”, gewoonweg te laag om hogere vloedstanden te weerstaan. Na de oorlogsjaren was er structureel te weinig geld beschikbaar om de slechte staat van de dijken te verbeteren. De prioriteit lag bij de wederopbouw van Nederland.

KNMI
Niemand heeft de storm zien aankomen. Alleen de meteorologen van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut in De Bilt volgden de ontwikkelingen op de voet. In de loop van zaterdag 31 januari 1953 kwamen zij unaniem tot de conclusie dat deze storm zeer gevaarlijk was voor Nederland. Er was in die tijd echter nauwelijks sprake van een waarschuwingssysteem. De weerkundigen stelden de Stormwaarschuwingsdienst in kennis. Deze Stormwaarschuwingsdienst, eveneens onderdeel van het KNMI en opgericht naar aanleiding van de grote schade die de overstromingen in januari 1916 hadden aangericht, had als primaire taak het opstellen van waarschuwingen voor gevaarlijk hoge waterstanden langs de Nederlandse kust. Vanaf zaterdagmiddag 31 januari 1953 zond men telegrammen uit met de tamelijk vage inhoud dat er “gevaarlijk hoog water” op komst was. Ondanks het feit dat er in geen jaren een dergelijk telegram was verzonden, werd in het meest bedreigde deel van Nederland, namelijk het zuidwestelijk kustgebied bestaande uit Zeeland, de Zuidhollandse eilanden en het noordwestelijk deel van Noord-Brabant, geen actie ondernomen. Dit werd veroorzaakt door het feit dat de meeste waterschappen en gemeenten in dit gebied niet waren geabonneerd op de waarschuwingstelegrammen. Met het verzenden van de telegrammen had het KNMI aan haar taak voldaan en eindigde de berichtgeving over de slechte weersomstandigheden. Een ultieme poging om de radio die avond in de lucht te houden, mislukte omdat niemand hiertoe een beslissing durfde te nemen. In die tijd zonden de beide radiozenders, Hilversum 1 en 2, tot middernacht uit, om op zondagmorgen om 8.00 uur de uitzendingen weer te hervatten. Behalve de burgemeester van Willemstad, die als enige burgemeester in het rampgebied een abonnement had op de waarschuwingstelegrammen, was niemand op de hoogte van het naderende onheil.

In het herdenkingsboek treft u een uitgebreid foto-overzicht aan van de gebeurtenissen in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 en de daaropvolgende dagen. Voor een uitgebreide beschrijving van de gebeurtenissen en de achtergronden in de voormalige gemeente Fijnaart en Heijningen verwijzen wij graag naar onze publicatie “Stormvloed Fijnaart en Heijningen 1953”, in november 1993 uitgegeven door de Heemkundige Kring “Fijnaart & Heijningen”.

Slachtoffers
Reeds in de vroege morgen van zondag 1 februari kwamen de eerste berichten over dodelijke slachtoffers. Dit betrof uitsluitend berichten vanuit de rand van het rampgebied. Pas vele dagen later zou een completer beeld van de omvang van de ramp ontstaan. Het Algemeen Nederlandsch Persbureau berichtte in het nieuwsbulletin op de bewuste zondagmorgen dat een lifter was verdronken op het Eiland van Dordrecht nabij de Moerdijkbrug. Kort daarna ratelden de telexapparaten met nieuwe berichten. Bij Hontenisse in het oosten van Zeeuws-Vlaanderen waren acht mensen om het leven gekomen; op Walcheren vreesde men voor veel dodelijke slachtoffers. Bij Halsteren werden die zondagmiddag al 57 mensen vermist en waren reeds acht lichamen geborgen. In de polder bij Dinteloord vielen drie doden, aldus de eerste berichten die in de loop van zondagmiddag wereldkundig werden gemaakt in een van de vele extra radionieuwsuitzendingen. Kort na middernacht was het dodental opgelopen tot 85; een uur later werd dit aantal naar boven bijgesteld op 138. In ‘s-Gravendeel bedroeg het aantal doden en vermisten op dat moment vijftig. In de eerste nieuwsuitzending van maandagmorgen (2 februari) maakte de nieuwslezer bekend dat er ruim 250 doden te betreuren waren. Zo liep het aantal nog die middag en avond op tot 420 slachtoffers. Nadat op dinsdag 3 februari de eerste berichten binnenkwamen van het geïsoleerde Zeeuwse eiland Schouwen-Duiveland liep het dodental schrikbarend snel op via 653 naar 873 doden op woensdagavond. Een dag later was dit aantal gestegen tot 1.372. In de periode daarna steeg het aantal minder snel, om uiteindelijk uit te komen op 1.835 slachtoffers.

Oude-Tonge
De meeste doden waren te betreuren in Oude-Tonge op het Zuidhollandse eiland Goeree-Overflakkee met 305 slachtoffers. De dorpen Nieuwerkerk en Ouwerkerk op Schouwen-Duiveland telden procentueel de meeste slachtoffers met respectievelijk 91 en 288 doden. Hierna volgden Stavenisse op het Zeeuwse eiland Tholen en Nieuwe-Tonge op Goeree-Overflakkee met respectievelijk 156 en 85 doden, en de voormalige gemeente Fijnaart en Heijningen met 75 doden. Alle burgerslachtoffers waren afkomstig uit Heijningen, dat in die tijd een achthonderd inwoners telde. Bijna tien procent van de toenmalige Heijningse bevolking verdronk.

Moerdijk
In totaal telden de kernen van de huidige gemeente Moerdijk 103 slachtoffers, en wel 76 (inclusief één militair) in Heijningen, zeventien (inclusief drie militairen) in Klundert, één in Moerdijk, twee in Willemstad, vijf in Zevenbergen en twee in Zevenbergschen Hoek.
Een berekening heeft aangetoond dat bijna 85 procent van het grondgebied van de huidige gemeente Moerdijk in februari 1953 onder water heeft gestaan. Alleen het overgrote deel van de toenmalige gemeente Standdaarbuiten en de polders rondom het dorp Zevenbergen bleven droog. De voormalige gemeente Willemstad overstroomde helemaal en ook de grondgebieden van de vroegere gemeenten Fijnaart en Heijningen en Klundert stonden voor meer dan negentig procent onder water.

Geëvacueerden
Behalve het grote verlies aan mensenlevens bracht de Ramp ook een groot aantal geëvacueerden met zich. In de huidige gemeente Moerdijk zijn naar schatting zo’n vijftienduizend mensen geëvacueerd en op diverse plaatsen in heel Nederland ondergebracht. In de voormalige gemeenten Fijnaart en Heijningen, Klundert en Willemstad werd nagenoeg iedere inwoner naar een veilige plaats overgebracht en zo ook in de kernen Moerdijk en Zevenbergschen Hoek. Alleen de inwoners van Noordhoek, Standdaarbuiten en de kern van Zevenbergen mochten in hun woningen blijven.
Vanuit het gehele rampgebied werden ruim zeventigduizend mensen geëvacueerd. Deze grootscheepse ontruiming was een gigantische logistieke operatie. De eilanden Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland werden nagenoeg geheel ontruimd. In en om Rotterdam waren grote opvanggelegenheden gecreëerd. De Brabantse evacués werden in eerste instantie opgevangen in de militaire complexen in Ossendrecht, Bergen op Zoom, Roosendaal en Breda. Later werden zij naar andere plaatsen in (West-)Brabant gebracht. Ook verdronken veel dieren: 47.000 stuks vee en 140.000 stuks pluimvee. Drieduizend woningen werden totaal vernield, evenals ruim driehonderd boerderijen. Meer dan veertigduizend woningen en drieduizend boerderijen raakten beschadigd. De totale schade na de Ramp werd geschat op een bedrag van ongeveer fl. 1.500.000.000,00. Anno 2008 zou dit (in euro’s) vele malen hoger zijn.
De gehele infrastructuur had forse schade opgelopen. Men telde zo’n honderd stroomgaten in dijken, waarvan 67 grote. Daarnaast had de storm nog eens vijfhonderd bressen geslagen in de dijken. Hierdoor was ruim achthonderd kilometer dijk beschadigd. In het zuidwestelijk deel van Nederland heeft van de ongeveer 200.000 hectare 185.000 hectare voor kortere of langere tijd onder water gestaan.

Combinatie
Zoals reeds eerder aangegeven werd de omvang van de Ramp mede bepaald door de bijzondere combinatie van weerkundige oorzaken, de slechte toestand van de dijken en de slechte informatievoorziening over het naderende hoge water. Maar ook het ontbreken van enige coördinatie rondom de hulpverlening heeft bijgedragen aan het hoge aantal dodelijke slachtoffers. De meeste slachtoffers op het eiland Schouwen-Duiveland vielen niet bij de eerste, maar bij de tweede vloedgolf op zondagmiddag. De communicatie gedurende de eerste uren van de Ramp en het op gang komen van de hulpverlening werden extra bemoeilijkt, omdat de Ramp plaatshad in de nacht van zaterdag op zondag. Nederland was niet voorbereid op een ramp van een dergelijke omvang.
Als direct gevolg van de Ramp is de dijkbewaking een belangrijk onderdeel geworden van de civiele verdediging in het zuidwestelijk deel van Nederland. Er werd een hele organisatie opgezet rond het beschermen en bewaken van de dijken. De verantwoordelijkheid voor de dijken binnen de huidige gemeente Moerdijk is in handen van het Hoogheemraadschap West-Brabant.

Nooit meer!
Een begrijpelijke eerste reactie na de Ramp was: dit nooit meer! Dit moest voor eens en voor altijd worden voorkomen, stelde het kabinet Drees. Al op 18 februari 1953 installeerde de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat, de heer J. Algera, een “Deltacommissie”, bestaande uit twaalf civiel ingenieurs, een landbouwkundig ingenieur en een econoom. Zij kreeg de taak te onderzoeken “welke voorzieningen dienen te worden getroffen met betrekking tot de door de stormvloed van 1 Februari 1953 geteisterde gebieden”. Tevens vroeg de minister de commissie “of een afsluiting van de zeearmen zulk een voorziening behoort te vormen”. In het belang van de scheepvaart dienden de “Rotterdamsche” Waterweg en de Westerschelde hierbij wel open te blijven. Naderhand zou de Deltacommissie nog de opdracht krijgen de invloed van stormvloeden voor de gehele Nederlandse kust te bestuderen. Hiermee had de commissie een aantal zware taken gekregen. Zowel praktische als economische (de visserij en schaal- en schelpdierenkwekerij) en financiële factoren moesten tegen elkaar worden afgewogen.
De commissie ging zeer actief aan het werk. Op 26 mei 1953 had zij reeds twee tussenrapporten uitgebracht. Hierin adviseerde zij de dijk op Schouwen zo snel mogelijk te verhogen en de Hollandsche IJssel met spoed af te sluiten door middel van een stormvloedkering bij Krimpen aan den IJssel. De toestand van de dijken langs de IJssel was te slecht om nog langer te kunnen wachten met de bouw van een dergelijke kering. Beide adviezen werden opgevolgd. In 1958 kon de zogenaamde “grendel van Holland” in gebruik worden genomen.

Deltaplan
Vervolgens groeide langzamerhand een omvangrijk plan, het Deltaplan. Dit omvatte behalve de al in aanbouw zijnde stormvloedkering in de Hollandsche IJssel (de Algerabrug), de bouw van de Zandkreekdam tussen Noord-Beveland en Goes op Zuid-Beveland (gereed in 1960), de afsluiting van het Veerse Gat met de bouw van de Veerse Gatdam tussen Noord-Beveland en Vrouwenpolder op Walcheren (gereed in 1961), de bouw van de Grevelingendam tussen Goeree-Overflakkee en Bruinisse op Schouwen-Duiveland (gereed in 1964), de bouw van de Volkerakdam en de Haringvlietbrug, het driewegpunt tussen de Hoeksewaard, Goeree-Overflakkee en Noord-Brabant (gereed in respectievelijk 1972 en 1964), de afsluiting van het Haringvliet met de bouw van de Haringvlietdam en de Haringvlietsluizen tussen Hellevoetsluis op Voorne-Putten en Stellendam op Goeree-Overflakkee (gereed in 1971), de afsluiting van het Brouwershavense Gat met de bouw van de Brouwersdam, de meest westelijke verbinding tussen Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland (gereed in 1972), de afsluiting van de Oosterschelde met de bouw van de Oosterscheldedam in de mond van de Oosterschelde tussen Schouwen-Duiveland en Noord-Beveland (gereed in 1986), werken in het gebied van de Oude Maas, de versterking van de hoogwaterkeringen aansluitend op de dammen, en overige werken. In het Deltaplan werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen primaire dammen (direct aan zee gelegen met het doel stormvloeden te keren) en secundaire dammen (in tweede linie achter de primaire dammen ten behoeve van een regelmatige verdeling van water tussen de zeearmen). Op 5 november 1957 werd de Deltawet, zoals deze in de volksmond werd aangeduid, door de Tweede Kamer goedgekeurd met slechts acht stemmen tegen. Zonder hoofdelijke stemming ging de Eerste Kamer op 7 mei 1958 eveneens met de Deltawet akkoord. De volgende dag ondertekende Koningin Juliana de wet. De looptijd van het project werd vastgesteld op twintig jaar. Niemand had op dat moment ook maar enig vermoeden dat de voltooiing van het project pas vele jaren later zou plaatshebben.

Haringvliet
De afsluiting van het Haringvliet met de bouw van de Haringvlietdam en -sluizen was, evenals de bouw van de stormvloedkering in de Hollandsche IJssel afgerond in 1964, een bijzondere. Behalve de functie van zeewering tussen Goeree-Overflakkee en Voorne-Putten moest deze zorgen voor een goede regeling van de waterhuishouding. Met de aanleg van een ingenieus sluizencomplex werd enerzijds de afvoer van het water uit de grote rivieren via het Haringvliet geregeld, en anderzijds verzilting tegengegaan. Een bijzonder hoge verkeersbrug over het complex hield tevens de mogelijkheid open om, indien nodig, ijsbrekers te laten passeren. Zo werd met tal van factoren rekening gehouden.

Isolement
Door de aanleg van de diverse dammen kwam een eind aan het isolement waarin de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden eeuwenlang had verkeerd. Toch gold deze opheffing van de geïsoleerde ligging niet alleen voor Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden; door de bouw van de Volkerakdam en de Haringvlietbrug werd ook het noordwestelijk deel van Noord-Brabant ontsloten. De Volkerakdam zou niet alleen de functie krijgen van secundaire dam, maar zou tegelijkertijd dienen als waterkundige scheiding tussen het Haringvliet en het Hollandsch Diep enerzijds en het Volkerak anderzijds. Op 1 september 1957 vingen de ingenieurs van Rijkswaterstaat aan met de werkzaamheden van dit omvangrijke project. Het was de bedoeling dat door de aanleg van de brug, de dam en het sluizencomplex tevens een belangrijk verkeersknooppunt zou ontstaan, zowel op het water als op het land. De aanleg van de damdijk verliep vrijwel zonder problemen en was in 1958 klaar. Men had gekozen voor een tracé waarvan het vier kilometer lange westelijke deel geheel over de zogenaamde Hellegatsplaten ten noorden van Goeree-Overflakkee zouden lopen. De afsluiting van het eigenlijke Volkerak gaf veel meer problemen. Aan de oostzijde van de Hellegatsplaten lag een ongeveer twintig meter diepe geul, waarin het water hoge stroomsnelheden bereikte. Met dit deel van het karwei werd in 1966 begonnen. Diverse studies hadden uitgewezen dat het verstandiger was te werken met veertien zogenaamde doorlaatcaissons in plaats van het storten van betonblokken met behulp van een kabelbaan. Door het plaatsen van deze caissons was men in staat de stroomsnelheden onder controle te houden. De sluiting verliep nu voorspoedig. Onder grote belangstelling werd het Volkerak op vrijdag 25 april 1969 om 11.21 uur officieel gesloten met het op de plaats brengen en afzinken van de laatste caisson. In aanwezigheid van de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat, schudden de burgemeesters van Willemstad, Numansdorp en Oostflakkee, elkaar de hand.
Op 2 november 1967 werden de Volkeraksluizen opengesteld voor de vele tienduizenden schepen die jaarlijks van deze sluizen gebruik zouden maken op hun vaarroute van en naar Antwerpen. Op het ontmoetingspunt van de sluizen, de dam en de brug kwam in augustus 1970 een verkeersplein met een zeer toepasselijke naam, het Hellegatsplein, gereed. Hiermee ontstond een meer directe verbinding met Rotterdam.
Pas in 1977 kon het project rond de sluiting van het Volkerak definitief worden afgesloten met de voltooiing van de jachtensluis.

Hoge waterstanden
Hoewel de stormvloed van februari 1953 tot extreem hoge waterstanden leidde, werd men in de jaren erna nog regelmatig door hoge waterstanden bedreigd. De storm van 23 december 1954 en de daarmee gepaard gaande waterstanden, leidde tot grootschalige evacuaties in en rond Heijningen en Willemstad. Het zeewater stroomde toen opnieuw over de buitendijken heen. Aangezien de storm vele malen korter duurde dan die in februari 1953, bleef grote schade uit. Ook bleef de waterhoogte met 2,15 meter boven NAP ver onder het niveau van 1953.
Dijkversterkingen werden na deze storm nog sneller ter hand genomen. De overheden wilden niet wachten op de resultaten van het Deltaplan. Zo is in de jaren zeventig de buitendijk van de Sabina Henricapolder over de gehele lengte verhoogd. Nog geen jaar later, op 4 januari 1976, zorgde een zware storm er opnieuw voor dat het water over de dijk sloeg. De toenmalige burgemeester, de heer J. van Bochoven, heeft toen zelfs evacuatie van de inwoners van de Sabina Henricapolder overwogen.
Nadat in 1983 de Philipsdam bij Sint-Philipsland in gebruik genomen werd, kwam een einde aan het eeuwenlange gevaar van het water in het noordwestelijk deel van de provincie Noord-Brabant.